De oorsprong van het Belgisch Trekpaard
De wortels van het Belgisch Trekpaardras - in de volksmond het Brabants trekpaard of de Brabander - liggen in het Pajotse Vollezele. Door de opkomst van de industriële revolutie in West-Europa en Noord-Amerika was rond 1850 een grote vraag naar zware, sterke paarden met een betrouwbaar karakter. Dit om de zware machines en schepen te trekken. Handel en nijverheid floreerde dankzij de stoommachine, waarbij de paarden zouden instaan voor het transport en het aan- en afvoeren van grondstoffen. Ook in de landbouw werden zwaardere machines aangeboden om te ploegen, te zaaien, te oogsten of te maaien.
Er werd gezocht naar een paard dat sterk en braaf was. Daarom werden in de meeste landen van het huidige Europa kampioenschappen georganiseerd. Ook werden diverse rassen gekruist in de zoektocht naar het juiste trekpaard maar zonder veel succes. Uiteindelijk werd het gewenste paard gevonden bij onze boeren. Dit omdat de boeren steeds geweigerd hadden hun paard te kruisen met de lichtere rassen van de cavalerie. Dit kwam omdat zij kweekten op basis van de vereiste eigenschappen dat hun paard nodig had om zijn of haar taken uit te voeren op de boerderij. Door dit gericht fokken, m.a.w. binnen de zuivere bloedlijn van een gekeurde trekpaardhengst, bleven rond 1850 slechts drie trekpaardbloedlijnen over.